Boerderijen en hun bewoners

Boek III 1976 – 1999 > heden

Supplement

Waterschap Fiemel


Het Waterschap Fiemel wordt op 1-5-1967 opgericht en omvat de volgende gefuseerde waterschappen:
- Oostwolderpolder (1769), 1189 ha, beheert delen van de gemeenten Midwolda, Nieuwolda en Finsterwolde.
- Finsterwolderpolder (1819), 1190 ha, beheert delen van de gemeenten Midwolda, Nieuwolda en Finsterwolde.
- Reiderwolderpolder 1ste afdeling (1862), 1120 ha, beheert delen van de gemeenten Beerta, Finsterwolde, Nieuwolda en Termunten.
- Reiderwolderpolder 2de afdeling (1874), 368 ha, beheert delen van de gemeente Beerta.
- Carel Coenraadpolder (1924), 670 ha, beheert delen van de gemeenten Finsterwolde, Beerta en Termunten.
- Vereeniging (1862), een overkoepelend waterschap van de genoemde polders, dat het Verenigingskanaal, het gemaal te Fiemel en 80 mtr. zeedijk beheert en onderhoudt.

Het waterschap ontleent zijn naam aan het gehucht Fiemel, waar het water wordt uitgeslagen op de Eems. Eén van de eerste daden van het nieuwe bestuur is het sluiten van een overeenkomst met het Waterschap Reiderzijlvest te Wedde om diverse taken beter te kunnen uitvoeren.
Als gevolg van het gezamenlijke ontwateringsplan van de polders moeten oplossingen worden gevonden voor de wijzigingen in de belastbare oppervlakten, die ontstaan na de aankoop van maaipaden (zowel van vrije als beklemde percelen).
De provinciale zeedijk langs de Eems wordt op Deltahoogte gebracht. Het Waterschap Reiderzijlvest kampt met afwateringsproblemen en zoekt een mogelijkheid tot lozing op diep water (Eems). Gelijktijdig moeten, volgens de Deltawet van 1956, de zeedijken op Deltahoogte worden gebracht om het overstromingsgevaar tot een minimum te beperken. Op deze manier ontstaat een combinatieplan. Als gevolg van een overeenkomst met Duitsland mag, zonder nader overleg, 1000 ha van de Dollard worden ingepolderd. Het plan 1a behelst de inpoldering met dijken op gewenste hoogte en een afwateringskanaal door de nieuwe polder met een lozingspunt op de Punt van Reide (= diep water) t.b.v. het Waterschap Reiderzijlvest.


Bij de Punt van Reide.

Het Waterschap Fiemel moet het gedeelte, gelegen aan de Oostzijde van het Reiderlandkanaal in de Reiderwolderpolder afstaan. Het gaat om Reiderwolderpolder 1ste afd. en 2de afd., totaal meer dan 500 ha. Oorspronkelijk loost dit gebied het overtollige water via de grondduiker onder het Reiderlandkanaal door om uiteindelijk bij Fiemel te worden uitgeslagen. Deze grondduiker is door de Duitsers in 1945 bij hun terugtocht opgeblazen. Daarna wordt geen nieuwe duiker gelegd, maar een bemalingsovereenkomst met Waterschap Reiderland gesloten. Een nieuw gemaaltje slaat in het vervolg het water uit op het Reiderlandkanaal. Als gevolg van plan 1a komt de afwatering van de Johannes Kerkhovenpolder in de knel. Deze polder slaat het water rechtstreeks uit op de Dollard via een gemaal. Dit wordt nu dus onmogelijk. Het Waterschap Johannes Kerkhovenpolder wordt opgeheven en toegevoegd aan het Waterschap Fiemel. Het nieuwe gemaal Breebaart slaat in het vervolg het water van de Johannes Kerkhovenpolder uit op het Verenigingskanaal van Fiemel. De grootte van het waterschap is nu 4350 ha.
Het plan 1a wordt algemeen gedragen, ook door Fiemel. Het waterschap wordt ontslagen van het op Deltahoogte brengen van de zeedijken. De provincie Groningen begint alvast met de bouw van een sluis bij de Punt van Reide. De gem. Winschoten wil alsnog graag dat het afwateringskanaal geschikt wordt gemaakt voor scheepvaart om de werkgelegenheid te bevorderen. Nadat goedkeuring is gevraagd van de regering in Den Haag genoemde werken te mogen uitvoeren, komen tegenstanders in actie. Milieu- en natuurorganisaties dienen protesten in tegen het plan.

Begin januari 1976 heeft het waterschap te maken met een extreem hoge zeewaterstand. Het dijkleger moet 3 x 24 uur op zijn post zijn. Het water staat op de laagste dijkvakken praktisch gelijk met de kruin van de dijk. Gelukkig staat er niet veel wind en bovendien uit een gunstige richting. De schade aan de dijken valt mee. Alleen bij de Johannes Kerkhovenpolder zijn enkele gaten geslagen. Eén en ander werkt mee om in Den Haag op spoed aan te dringen. Minister-president J.M. den Uyl bezoekt het gebied in het voorjaar om zich te laten informeren. Enige tijd later komt een aantal Tweede Kamerleden per helikopter naar de Johannes Kerkhovenpolder om zich ter plaatse op de hoogte te laten brengen. Zij worden gevraagd met spoed het gewenste besluit te nemen. Het resultaat is dat in de zomer van 1976 kistdammen op de laagst gelegen dijkvakken worden geplaatst.
Wanneer de concessie-aanvraag wordt afgewezen levert het zoeken naar een alternatief de volgende ideeën op:
a. plan 1b: een kleinere oppervlakte wordt ingepolderd.
b. plan 1c: het afwateringskanaal direct langs de buitenteen van de huidige zeedijk.
c. een slingertracé: het kanaal doorsnijdt een paar keer de bestaande zeedijk.
d. een volledig binnendijkskanaal.

In het voorjaar van 1983 komt de minister van Verkeer en Waterstaat mevr. Smit-Kroes bij een bezoek met de definitieve oplossing. Er wordt een convenant gesloten betreffende de financiering van de uit te voeren werken:
- het Waterschap Fiemel brengt de zeedijken op Deltahoogte.
- het Waterschap Reiderzijlvest krijgt vergrote zeesluizen bij Nieuwe Statenzijl en een goede buitengeul.


De sluizen bij Nieuwe Statenzijl.

Het werk wordt in drie gedeelten van elk 4 km. uitgevoerd. De directievoering ligt bij de Provinciale Waterstaat. In 1983 wordt het eerste gedeelte aanbesteed en uitgevoerd. Het begin is bij de Punt van Reide, waar 56 ha, Breebaartpolder genoemd, wordt ingepolderd. De bestaande zeedijk van klei wordt uit elkaar getrokken. Het middelste deel spuit men vol met zand uit de Eems. Later wordt dit zandlichaam toegedekt met de klei van de oude dijk, zodat een kleidek ontstaat van 60 cm tot 1 mtr. Tevens worden onderhoudswegen aangelegd, zowel aan de binnen- als aan de buitenkant. De buitenteen van de dijk voorziet men van een steenbeschoeiing. Bovendien komen er overritten.
In 1984 wordt het tweede gedeelte op dezelfde manier afgewerkt, gevolgd in 1985 door het derde deel. Het weer werkt steeds mee en eind 1985 ligt er een dijk op Deltahoogte van 8.50 mtr. tot 9.25 mtr. + N.A.P. bij Nieuwe Statenzijl. Inmiddels is de nieuw gebouwde, maar nooit gebruikte sluis op de Punt van Reide afgebroken.


Gemaal Fiemel.

Een gedenkteken boven op de dijk, bij het voormalige werkkamp in de Carel Coenraadpolder, houdt de herinnering levend aan de voltooiing van dit belangrijke werk, dat de veiligheid van een groot gedeelte van de provincie tegen overstromingen praktisch garandeert. De aangebrachte spreuk: ‘Gain diek, gain laand, gain leven’ spreekt voor zich.
Andere belangrijke projecten waarbij het waterschap is betrokken zijn de ruilverkavelingen Woldendorp, Nieuw Scheemda en Beerta. In de nieuwe situaties wordt veel aandacht besteed aan de afwatering van de percelen grond, die soms door rigoureuze wijzigingen een geheel andere waterafvoer krijgen.

Op 1-5-1985 treedt voorzitter N.J. Rookmaker (168) af wegens het bereiken van de wettelijk gestelde leeftijd. Hij krijgt een Koninklijke onderscheiding. Opvolger J.M. Brinkman (208) is de laatste voorzitter, want bij de reorganisatie van het waterschapsbestel in de provincie per 1-1-1986 valt ook het doek voor het Waterschap Fiemel. Het wordt samengevoegd met het Waterschap Reiderzijlvest.

Enkele jaren later wordt Reiderzijlvest omgedoopt tot Dollardzijlvest. Een gedeelte van Drenthe is in dit nieuwe waterschap opgenomen, omdat water uit dat gebied wordt geloosd bij Nieuwe Statenzijl. Het nieuwe waterschap strekt zich uit van de Punt van Reide tot voorbij Emmen. In 1997 wordt te Fiemel een nieuw, volautomatisch gemaal gebouwd. De machinist verdwijnt, de woning is afgebroken en in het vervolg wordt geheel vertrouwd op de techniek. De vernieuwing van het gemaal is een gevolg van de bodemdaling, die ontstaat door de gaswinning. De opvoerhoogte van het uit te slagen water wordt steeds groter. De kosten bedragen 8.9 miljoen gulden. Ter vergelijking: in 1951 kost het gemaal 351.000 gulden.
Ook de bestuurssamenstelling verandert en wordt nu gevormd door leden die:
a. Het gebouwd vertegenwoordigen.
b. Het ongebouwd vertegenwoordigen.
c. Ingezetenen zijn.

Volgens een verdeelsleutel wordt het aantal leden bepaald naar verhouding van de inkomsten uit de omslag van het waterschap. Veranderingen zijn aan de orde van de dag. De toekomst ligt in de schoot van de goden verborgen. Quo Vadis?